Geplaatst op:


Zonder enige twijfel is de titel van deze blog de meest gestelde vraag van onze opdrachtgevers op dit moment. En dat is natuurlijk ook niet vreemd. Op dagelijkse basis verschijnen berichten in de media over de zeer uitzonderlijke prijsstijgingen die in Nederland aan de orde zijn, waarvan de significante toename van de energieprijzen wellicht nog het meest tot de verbeelding spreekt. Dat sprake is van een uitzonderlijke situatie blijkt ook duidelijk uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de consumentenprijsindex (CPI) wordt melding gemaakt van een prijsinflatie van onder meer 14,5% in september 2022, 14,3% in oktober 2022 en 9,9% in november 2022. De CPI is een samengesteld gewogen gemiddelde van alle prijsstijgingen en vormt daarmee een belangrijke maatstaf voor het meten van de gemiddelde prijsontwikkeling in Nederland.

Naast de vraag of er niet met een te lage inflatie wordt gerekend, zien wij in de praktijk ook dat er in rekenopdrachten gericht verzoeken worden gedaan om in de kapitalisatie van de schade in de eerste jaren met een hogere inflatie rekening te houden, in lijn met de actuele inflatiepiek. Dit heeft voor ons aanleiding gegeven om dit vraagstuk vanuit een rekenkundig perspectief op personenschade onder de aandacht te brengen.

In de eerste plaats dient benadrukt te worden dat de actuele hoge inflatie niet een gevolg is van het ongeval dat door het slachtoffer is overkomen, maar een omstandigheid betreft die alle Nederlanders in de portemonnee raakt. Ook in de situatie zonder ongeval zou een slachtoffer te maken hebben gehad met de huidige prijsstijgingen. Het compenseren van de actuele hoge inflatie door de rekenrente in een schadeberekening hierop volledig aan te passen is om die reden al onzuiver. Betekent dit dat de hoge inflatie als zodanig in de schadeberekening in zijn geheel niet terugkomt? Nee, de hoge inflatie wordt wel in de schadeberekening meegenomen, maar niet door een aanpassing van de rekenrente. In het navolgende zal dit punt meer inhoudelijk worden toegelicht.

In een berekening van een schade wegens verlies van arbeidsvermogen worden, voor alle jaren vanaf de datum van het ongeval tot de einddatum van de berekening, de netto besteedbare inkomens in de situaties zonder- en met ongeval bepaald. De schadeberekening ziet dus specifiek op een compensatie van het verminderde netto besteedbare inkomen in de feitelijke situatie sinds het ongeval ten opzichte van het netto besteedbare inkomen zoals het slachtoffer dat in een hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben gehad. De schadeberekening ziet niet op de wijze waarop dit netto besteedbaar inkomen in individuele gevallen feitelijk of in een hypothetische situatie wordt uitgegeven.

In de jaren vanaf de ongevalsdatum tot de kapitalisatiedatum worden alle inkomens en uitkeringen volledig handmatig becijferd. In geval er sprake is van een arbeidsinkomen worden alle feitelijke loonsverhogingen meegenomen die in de voor de desbetreffende werknemer toepasselijke regeling zijn opgenomen. Indien sprake is van een sociale uitkering, zoals een WIA-uitkering, wordt voor deze jaren gerekend met de werkelijke (halfjaarlijkse) indexaties op het wettelijk minimumloon.

Vanaf de kapitalisatiedatum wordt de schade, voor alle toekomstige jaren, gekapitaliseerd met toepassing van een rekenrente en een sterftekanscorrectie. In de rekenrente is een inflatie verdisconteerd. Onder invloed hiervan wordt in de rekensoftware de jaarschade jaarlijks “onder water” verhoogd met het gekozen percentage inflatie. Deze totale jaarschade betreft veelal de resultante van lonen, uitkeringen, pensioenaanspraken en eventuele andere schadecomponenten.

Als voorbeeld zal een inflatie van 2% worden aangehouden. Dit betreft de gemiddelde historische inflatie in de periode vanaf 1982 tot 2022. Tevens betreft dit de zogenoemde streefinflatie die door de Europese Centrale Bank (ECB) wordt aangehouden en die door economen wordt beschouwd als de inflatie die past bij een gezonde economie. In geval van een uitzonderlijk hoge inflatie of een deflatie neemt de ECB maatregelen om de inflatie opnieuw stabiel (op 2%) te kunnen krijgen, bijvoorbeeld door de rente te verhogen of te verlagen. In de kapitalisatie van schadeberekeningen van letselschadeslachtoffers dient deze inflatie te worden beschouwd als een basisinflatie. Dit betreft ook de inflatie die door het LOVCK/LOVC-Hoven en de Expertgroep Personenschade in de Aanbevelingen Rekenrente (maart 2022) voor alle toekomstige jaren vanaf de kapitalisatiedatum wordt aangehouden.

Het uitgangspunt voor de basisinflatie in de rekenrente is de reeds beschreven CPI van het CBS. De CPI is echter niet gelijk aan de ontwikkelingen van de lonen (de looninflatie). Wel bestaat er een causaal verband tussen de CPI en de looninflatie. In de praktijk wordt in de bepaling van de lonen, zowel door cao-partijen als door werkgevers van niet aan cao gebonden werknemers, de CPI immers wel als vertrekpunt gehanteerd om de inflationaire loonsverhogingen te kunnen bepalen. Ook de halfjaarlijkse indexaties op de minimumlonen zijn afgeleid van de prijsontwikkelingen. De hiervoor beschreven verhogingen van de lonen en uitkeringen hebben tot doel om het koopkrachtverlies van werknemers en uitkeringsgerechtigden zoveel als mogelijk te voorkomen.

De CPI en de indexaties op de sociale uitkeringen zijn evenwel niet identiek. Voor werknemers geldt dat de werkelijke procentuele loonsverhoging geheel afhankelijk is van de toepasselijke regeling die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. In cao’s zijn hierin grote verschillen waarneembaar, van cao’s waarin jarenlang geen cao-verhogingen zijn toegekend (er is dan sprake van zogenoemde “bevroren lonen”) tot cao’s waarin de procentuele cao-verhogingen hoger zijn geweest dan de CPI. Bovendien dient ook het verschil in belastingdruk in ogenschouw te worden genomen. De belastingdruk op arbeidsinkomens en op sociale uitkeringen is namelijk verschillend, onder meer vanwege het feit dat – in geval een sociale uitkering wordt ontvangen – geen recht bestaat op een arbeidskorting ter verlaging van de belastingdruk. Een identieke procentuele verhoging van een bruto arbeidsinkomen en bruto uitkering resulteert dus niet in eenzelfde verschil in het uiteindelijke netto besteedbare inkomen.

De voornoemde verschillen zullen telkens door een ervaren rekenkundige worden vastgesteld en meegenomen in de berekening van de schade. Dit betekent dus dat altijd op dossierniveau wordt beoordeeld hoe de lonen en uitkeringen zich in het verleden hebben ontwikkeld en in de toekomst naar verwachting zullen gaan ontwikkelen. Dit kan per individueel geval verschillen. Het is dus niet mogelijk om op dit punt een algemene aanbeveling voor alle personenschadedossiers te doen. Er wordt op dossierniveau bekeken of en in hoeverre de ontwikkeling van de lonen en/of uitkeringen afwijkt van de basisinflatie. Is er bijvoorbeeld sprake van een hogere jaarlijkse aanpassing van de lonen in de regeling van het slachtoffer ten opzichte van de basisinflatie, dan wordt dit verschil tot uitdrukking gebracht door correcties toe te passen in de onderliggende inkomensberekeningen. Deze specifieke correctie van een enkele inkomenscomponent wordt niet uitgevoerd in de rekenrente. Voorbeeld: de jaarlijkse verhoging van alle lonen in een desbetreffende regeling bedraagt gemiddeld 3,5% per jaar. In dat geval wordt voor alle toekomstige jaren het bovenmatige verschil van (3,5% loonsverhoging in de regeling minus 2% basisinflatie) 1,5% handmatig toegepast in de berekening van het arbeidsinkomen in alle toekomstige jaren tot aan het moment van pensioneren. Deze rekenmethode wordt door ervaren rekenkundigen al sinds jaar en dag gehanteerd, waarbij – op dezelfde wijze – ook de sociale uitkeringen en pensioenaanspraken worden beoordeeld.

De hiervoor beschreven rekenmethode is tot op heden wellicht enigszins onopvallend gebleven. Dit houdt verband met het feit dat de ontwikkelingen van de lonen en uitkeringen in de voorbije jaren in het overgrote deel van de dossiers niet heel veel hebben afgeweken van de basisinflatie. Een correctie was daardoor in veel gevallen niet noodzakelijk.

Naast berichten over de huidige inflatiepiek zijn er recentelijk ook veel berichten gepubliceerd over de wijze waarop de koopkrachtvermindering te lijf wordt gegaan door de overheid (een extra verhoging per 1 januari 2023 van de minimumlonen, resulterende in een totale indexatie van 10,15%) en de hoge indexaties die door de grotere bedrijfstakpensioenfondsen per 1 januari 2023 zullen worden doorgevoerd. Ook de berichten over deze indexaties zijn voor onze opdrachtgevers veelal reden om vragen te stellen over de inflatie in de rekenrente. Ook ten aanzien van deze indexaties worden in de berekeningen van de uitkeringen en pensioenen, voor zover dat in een dossier noodzakelijk mocht blijken te zijn, handmatig correcties toegepast.

Er zijn daarnaast vanuit rekenkundig perspectief nog andere belangrijke redenen om de basisinflatie in de rekenrente niet aan te passen. In de eerste plaats dient benadrukt te worden dat deze inflatie “onder water” doorgerekend wordt op de totale jaarschade. In deze jaarschade zijn alle lonen, uitkeringen, pensioenen en overige schadecomponenten verdisconteerd die in de rekensoftware ingevoerd zijn. In geval een hoger percentage wordt aangehouden, betekent dit dat alle ingevoerde componenten met ditzelfde hogere percentage worden verhoogd. Omdat de werkelijke verhoging per component zeer verschillend kan zijn, betreft dit een onzuivere benadering. Welbeschouwd ontstaat er daardoor een incorrecte vermenging, met een onjuiste uitkomst van de schadeberekening tot gevolg. Tevens wordt opgemerkt dat, voor zover er in de onderliggende berekeningen van de afzonderlijke inkomens- en schadecomponenten al correcties zijn doorgevoerd op de basisinflatie, aanvullende correcties ten aanzien van de invoer van de rekenrente in de rekensoftware mogelijke dubbeltellingen in de schadeberekening tot gevolg kunnen hebben. Indien de invoer in de rekensoftware vanaf het moment van kapitaliseren onjuist en/of onzuiver is, zal dit er bovendien ook toe leiden dat de schade in alle daaropvolgende toekomstige jaren incorrect wordt berekend. Er ontstaat dan als het ware een domino-effect.

De conclusie luidt dus om de basisinflatie niet aan te passen in de rekenrente in verband met de hoge inflatiepiek en/of koopkrachtmaatregelen vanuit de overheid, de cao en/of pensioenfondsen die daar verband mee houden. Een ervaren rekenkundig expert kan eventuele verschillen op de basisinflatie beoordelen en op basis daarvan op dossierniveau de individuele inkomens- en schadecomponenten vaststellen, zodat de schade op een zuivere wijze wordt doorgerekend. Een schadeberekening betreft altijd een vergelijking van het netto besteedbare inkomen in de situatie zonder ongeval en de situatie met ongeval. Wij benadrukken: deze vergelijking dient op alle onderdelen volledig in evenwicht te zijn. Een deskundige blik van een ervaren rekenkundig expert blijft om die reden altijd van groot belang.

Auteurs: Robert Withagen en Erik-Jan Bakker


Terug naar het overzicht